Vreemde vogels

Omdat we nog in de quarantaine-fase zitten dankzij dat geval van vogelgriep in onze buurt bleef een bezoek aan de telpost de beste optie de voobije week. Zeker met de cijfers die Pierre en Nathan dinsdag al inleverden.

Houtduif on the move

1.500 veldleeuweriken, 730 koperwieken en een pleisterend mannetje beflijster. Daar kan je mee thuis komen. Woensdag was ik dan ook van de partij om mee te genieten van dit spektakel. En het feestje ging verder. We telden 4.000 houtduiven, 1.700 vinken en 1.400 veldleeuweriken. Pierre zag er heel weinig van omdat hij secretaris van dienst was en al dat geweld moest ingeven op zijn gsm. Iemand moet het doen, nietwaar.

Een fractie van de doortrekkende houtduiven

Donderdag moest ik weer passen, maar vrijdag stond ik er terug. Een dagje goed voor 6.300 houtduiven en 3.400 vinken. De voorbije week werden er tot en met vrijdag 44.000 vogels geteld in Oetersloven. En wij weten dat dit een onderschatting is, want heel wat exemplaren trekken ongemerkt door. Te hoog of gewoonweg niet opgemerkt door de tellers.
En dan keerde de wind. Naar het noorden, waardoor onze trekvogels wind in de rug kregen. Ze vliegen dan een stuk hoger en dit in combinatie met een staalblauwe en wolkenloze lucht zorgt er voor dat we plots veel minder vogels zagen. Geen trek? Toch wel, maar voor de tellers op de grond onzichtbaar. Het dagtotaal stortte in elkaar tot een schamele 256. De vroege rode wouw en een mooi V-tje ganzen konden ons niet echt motiveren. Ik besloot dan toch maar mijn watervogeltelling uit te voeren. Die had ik de avond er voor al geschrapt omdat ik toen nog hoopte dat het feestje op de telpost nog even bleef duren. Niet dus, mijn schrapping werd geschrapt en ik reed naar de Caetsweyers. Daar was het wel tellen geblazen. Het leek wel een congres van de watervogels met heel veel gasten. Ik telde 92 nijlganzen, 71 grote Canadese ganzen, 46 grauwe ganzen en 1 soepgans. De eenden waren ook paraat met 45 wilde en 44 krakeenden. Leuk waren zeven wintertalingen en een kleine zilverreiger. Dat was pas een telling deze keer.

The fittest

Zondag stuurde ik mijn kat naar de telpost waar ze die dag ook nog eens de simultaan telling voor Vlaanderen organiseerden. Het was niet omdat ze alweer noordenwind voorspelden en er dus vermoedelijk minder te zien zou zijn, maar omdat ik mij als standhouder had ingeschreven voor een platenbeurs in Hasselt. Overmacht noemen ze dat, denk ik. Een andere ervaring trouwens, die beurs. Ik was er al geweest, maar dan als koper en had op dat moment enkel aandacht voor de lp’s die er te koop werden aangeboden en minder voor het publiek. Nu had ik ruim de tijd om al dat volk dat daar rondliep uitgebreid te observeren.

Mijn uitzicht op de platenbeurs

Een bezigheid die een verwachte lange dag omtoverde tot een bijzondere, zal ik het maar noemen, ervaring. Wat bestaand wij als mensheid uit rare schepsels! De diversiteit binnen onze soort is, ik wik mijn woorden, enorm. Wij vormen een mengelmoes van vreemde wezens die op het eerste zicht de theorie van Darwin in twijfel trekken. Want wil het nu net lukken dat ik om de tijd te doden een boek bij had over vogels (uiteraard) en dat ik net aan een hoofdstuk zat waarin het ontstaan van deze soortengroep uit de doeken werd gedaan. Ik bekeek al die voor mijn tafel voorbij wandelende wezens vanuit dat perspectief. Grappig, maar ook vreemd. Een groot deel van de bezoekers zette ik in de categorie van ‘hoek af’ of ‘nerd’. Ik mag dit schrijven, want ik was, of ben, een van hen. Ook ik begon een paar jaar geleden met het intensief verzamelen van lp’s. Waarom? Omdat blijkbaar nog ergens in het, volgens mij vooral, mannelijke brein een klein stukje DNA van onze voorouders die toen behoorden tot de jagers-verzamelaars is blijven hangen. Zelf heb ik dan ook nog eens de volgens mijn vrouw onhebbelijke eigenschap om zulke fases van het ene moment op het andere en zonder veel uitleg stop te zetten. Daarom zat ik nu aan de andere kant van de tafel op deze beurs om mijn collectie terug te verpatsen. Met zicht op een zeer vreemd gezelschap dat van de ene doos vinylplaten naar de andere struinde. Terwijl ik dit schouwspel bekeek kwam onbewust de vraag in mijn hoofd of de regels die ik net in mijn boek had gelezen wel klopten. ‘Survival of te fittest’? Als er een ding duidelijk was dan waren de wezens die ik zag totaal niet de ‘fittest’. Ook hier weer ben ik degene die dit mag zeggen. Omdat alweer ik behoor tot die not-fittest. Met een kalend kruintje, een vrij stevig horecagezwel dat mijn BMI tot aan de grens van het ontoelaatbare duwt en een resem kwaaltjes die ik jullie even wil besparen is fitheid niet echt aanwezig. Zat Darwin er wat onze soort betreft dan ver naast? Tja, niet echt. De mens als soort is de meest ‘succesvolle’ op onze planeet. Ik zet succesvol tussen aanhalingstekens, want dat succes blijkt ondertussen de ondergang van heel veel andere soorten. Misschien zelfs onze hele aardkloot zijn we aan het verkloten (twee keer een verboden woord in mijn zin geeft aan dat dit mij hoog zit). Het woord ‘fittest’ in de stelling van Darwin zouden we anders moeten interpreteren. Het gaat voor de mensheid om ‘smartest’. Een woordkeuze die hopelijk in de toekomst niet de verkeerde blijkt te zijn. Maar die discussie wil ik hier even niet voeren. Het succes van ons als mensheid heeft dus vooral te maken met ons brein dat ons in staat stelt om heel veel problemen op te lossen (of te creëren). Hierdoor slagen we er in om de ganse planeet te overspoelen. Terwijl wij dit deden hebben wij nog een stelling van Darwin naast ons neergelegd. Hij beweerde dat soorten die zich het best aanpasten aan nieuwe omstandigheden, het meest succesvol waren. Wie zich niet aanpast is gedoemd om te verdwijnen. De mens past zich totaal niet aan, maar zorg er voor dat alles en iedereen rond hem dat moet doen. Wie dat niet doet, verdwijnt. Voor alle soorten geldt de stelling van Darwin, maar niet voor ons. Of misschien toch…

Een toepasselijke platenhoes uit mijn collectie die niet verkocht geraakte.

Nog een detail: ik verkocht voor €400 aan platen. Niet slecht vond ik zelf. En over de telpost in Oetersloven vloog een ijsgors. Die ik dus niet gezien of gehoord heb. Even een kleine binnenmondse vloek was het gevolg. Kiezen is verliezen. Hopelijk geldt deze stelling niet voor de mensheid.

Gas geven

Het voorbije weekend gingen we met een delegatie van onze Vogelwerkgroep Fruitstreek richting de Belgische kust. Met hoge verwachtingen, want op donderdag was het daar stevig stormweer en de zeevogels vlogen de waarnemers bijna om de oren. Om 6u00 reden we al richting zeetje.

Echte

Eerste stop was het Zwin. Altijd een goede plek om vogels te kijken, zelfs als het regent. Want in het bezoekerscentrum konden we alvast wat oefenen in soorten determineren met een heleboel opgezette exemplaren. Sommige hadden duidelijk al wat jaren op de teller en keken ons dan ook met uitpuilende oogjes aan. In het park passeerden we even bij de ringers die werkloos zaten te keuvelen. Nadien hoorden we dat ze 12 hele vogels hadden geringd. Voor zangvogels en ander klein grut was het duidelijk geen topweekend. Na een bezoekje aan de grote kijkhut, waar we van de gids van dienst een mooie uitleg kregen over het gebruik van vogelsnavels, wandelden we over de dijk naar de zwinvlakte. Daar zat onze eerste doelsoort, een flamingo. Dit keer een ‘echte’. Niet zo een ontsnapt beest dat momenteel nog altijd in Schulen zit, maar eentje die in de natuur is opgegroeid. Waardoor hij meetelt voor mijn Belgische lijst. Weer eentje erbij.

Flamingo – Zwinvlakte – 9 oktober 2026 (Foto: Andre Gaens)

Dan reden we door naar de Baai van Heist. Zoals verwacht liet de wind ons geen kleine vogeltjes spotten. Maar in de baai zelfs aan het strand zaten wel veel meeuwen en steltjes. Een drietal sterntjes werden onderwerp van discussie. Dwerg, visdief of misschien zelfs noordse. De vleugelbochten, koptekening, pootkleur, snavelkleur en grootte klonken door de lucht. Uiteindelijk klopten we af op visdiefjes. Handig toch zo een telescoop die in de koffer van het busje was blijven liggen. Na te zijn uitgewaaid ging het richting ons verblijf voor de komende dagen. Bij aankomst kregen we nog een stevig onweer over ons heen. Mijn reisgenoten die naar hun bungalow spurten met de koffers lieten de achterdeur van het busje wagenwijd openstaan zodat mijn wandelschoenen vol water stonden. Een nat einde van een eerste leuke dag.

Pijlen

De volgende morgen hadden we een afspraak op de telpost Spanjaardduinen. Daar mag je tegenwoordig zo maar niet meer binnen. Dit dankzij een aantal, vooral mannen, die ook vogelen. Maar dan in de bosjes en zonder verrekijker. Gelukkig hadden we deze sympathieke trektellers vorig jaar al ontmoet en regelden zij dat we toch binnen mochten. De massa vinken van vorig jaar, ze hadden er vorig jaar op de dag dat wij er waren meer dan 55.000, bleven uit. Nadien zagen we op hun telling dat ze er maar liefst 8 hadden gezien. Tja, de ene dag is duidelijk de andere niet. Ons bezoek leverde ons wel een (mogelijk zelfs te) eervolle vermelding op bij hun resultaten van de telling.
Wegens te weinig doortrek van kleine vogels stelden onze gastheren voor om in de duinen te gaan staan om over zee te turen. Want voor zeevogels was het wel redelijk goed. Dat bleek een schot in de roos. Jan-van-Genten, rotganzen en grote sternen kwamen door. Maar waar ik vooral blij mee was waren de grauwe pijlstormvogels en noordse pijlstormvogels. Want op die manier kon ik eindelijk deze ‘schaamsoorten’ (soort die bijna alle vogelkijkers hebben gezien, maar jij niet) op mijn lijstje zetten. De aankondiging van een vaal stormvogeltje op een telpost iets meer noordelijk deed mij nog meer glunderen. Dat zou een lifer zijn. Maar na een uurtje moesten we besluiten dat hij vermoedelijk tussen de hoge golven en zo uit ons zicht was voorbij gevlogen. Maar er kwamen nog een dag aan om ook deze soort te scoren.

Op aanraden van Brecht (de teller van de zeevogels) reden we naar Oostende. Daar kan je vanaf het staketsel dat een heel stuk de zee inloopt bij stevige wind zeevogels vaak van dichtbij bewonderen. Dit omdat ze de kustlijn volgen en dan afbuigen om zo langs het staketsel te vliegen. Zijn raad bleek waarheid te worden met als hoogtepunt een rosse franjepoot die vlak voor ons even op zee ging zitten. We sloten de dag af aan de IJzermonding waar een goudplevier was gezien. De schaamsoort van Gert. Die bleek niet te vinden, maar ook hier belandden we op de dijk en konden we genieten van alweer wat zeevogels.

Politie je vriend

De dag nadien zou de wind nog wat aantrekken. Dus gingen we al vanaf de ochtend het staketsel op. Maar onze app had het mis. Want het bleek veel rustiger en alles vloog redelijk ver weg.
Tijd om wat rond te kijken, waardoor André een scène uit een crime-reeks mocht aanschouwen. Op de andere pier werden een paar vogelkijkers die op de blokken stonden ter orde geroepen. Tja, dat mag niet dachten wij. Maar even laten verscheen diezelfde combi ook aan onze zijde. In de verte zagen wij ze praten met een paar vogelkijkers die dan afdropen. Wat was er aan de hand? Vluchten was geen optie tenzij we een duik in de zee waagden. Even later stopte de combi bij ons en werden onze paspoorten gevraagd. Blijkbaar mochten wij niet op het staketsel als de slagboom gesloten was. Resultaat, iedereen een GAS-boete. De argumenten die sommige van onze groep nog opwierpen hadden weinig effect. Bij stormweer is de slagboom dicht en mag je er niet op. ‘Moeten we dan vertrekken’ vroegen we aan de agenten. Hun antwoord sloeg ons met verbazing. ‘Neen hoor, blijf maar gerust hier. We hebben net de slagboom open gezet’. Hun theorie over dat stormweer veranderde in een klucht in uniform. Wel eentje die ons vermoedelijk centjes gaat kosten.

Noordse pijlstormvogel (Foto: Maxim Hallaert)

Een bezoekje in de namiddag aan de Sashul, met als doel een gemelde sperwergrasmus leverde niets op. We sloten uiteindelijk ons weekend af in de Uitkerkse polders onder het toeziend oog van een twintigtal koereigertjes en een velduil. Pierre, Gert en Wouter verstevigden hun Belgische lijst met respectievelijk 8, 8 en 9 soorten. Ze raken zo verwikkeld in een nek-aan-nek-race met 269, 267 en 266 soorten op hun lijstjes. Zelf steeg ik met 3 naar nu 319. Een vruchtbaar en vooral leuk weekend. Weliswaar nog steeds zonder een stormvogeltje. Die zit ergens op de Noordzee mij uit te lachten achter een of andere golf. Maar wie weet? Ooit…

Bella Italia

Een weekje te laat weer een post op mijn blog. Ik heb echter een legitieme reden voor dit uitstel. Samen met mijn vrouwtje zat ik een week in Umbrië, Italië. Deze keer niet om vogeltjes te gaan kijken, maar om haar wens om ooit eens Assisi te bezoeken te vervullen. Dat is dus gelukt. Als ondertussen op rust gestelde godsdienstjuffrouw is dit een van haar favoriete verhalen. Het hele relaas van Franciscus van daar kwam voorbij met de nodige bezoeken aan kerken en andere historische gebouwen. Prachtige streek trouwens. Dit in het gezelschap van 23 medereizigers waaronder een redelijk prikkelbare gids. Het leuke van zo te reizen is dat je mensen leert kennen. Goed- en kwaadschiks. Zo bleek een rare meneer die de eerste dagen opviel door zijn Mr.Bean-achtige gedrag en het maken van foto’s van magneten in souvernirwinkels een in Engeland werkzame tandarts op pensioen die bijna gans de wereld had gezien en een enorme kennis had van cultuur en geschiedenis. Een ander koppel – die we ongetwijfeld nog eens gaan zien hier in Haspengouw – bestaande uit een kwebbelende dame en een man met stevig overgewicht, bleken een enorm sympathiek paar. De dame in kwestie was een geweldige verhalenvertelster en haar man was ooit directeur-generaal van het VLAM. Les die ik leerde. Nooit een boek beoordelen enkel op zijn cover.

Mooie landschap ergens in Umbrië

Oldie

De stokoude hit van Samantha die elke morgen door de luidsprekers in de bus op ons trommelvlies werd losgelaten namen we er met de glimlach bij. Wat vogels betreft bleef het een mager beestje. Elke morgen ging ik even voor het ontbijt op pad in de buurt van ons hotel. Buiten wat kleine zwartkoppen en putters bleef mijn lijstje vrij kort. Onderweg kon ik wat koereigertjes en heel veel bonte kraaien in beeld krijgen. Enkel aan een groot meer waar we in een aftandse boot een tochtje maakten naar een al even aftandse eilandje zaten wat meer vogels waaronder ook een vijftal dwergaalscholvers. Op deze reis zag ik meer monniken dan vogels. In de huidige tijden toch een wat rare verhouding.

Monnik in Assisi die nog op zoek is naar de juiste weg

Hatsjoe

Wel kon ik één soort spotten die ik graag nog eens wou terugzien: de Italiaanse mus. Deze soort komt enkel, zoals zijn naam al deed vermoeden, in de grote laars voor. Het zou een hybride zijn tussen onze eigen huismus en de Spaanse huismus. Ze heeft als meest opvallende kenmerk dat bij de mannetjes de kruin egaal bruin is, terwijl die bij onze huismus ook grijs bevat. De Spaanse versie heeft ook een bruine kruin, maar is veel intensiever van tekening dan haar Italiaanse tegenhanger. Bij de vrouwtjes is er dan weer heel weinig verschil.

Italiaanse mus (foto E-bird)

Ondertussen ben ik weer op Belgische bodem. Dinsdag stond ik al samen met Pierre op de telpost in Oetersloven. De aankomst thuis een stuk na middernacht was vermoedelijk een van de redenen waarom ik voor deze optie koos. Het was warm, heel warm. Meer dan 25°C en weinig wind. Dus ook weinig trek. Daarom gingen op woensdag de netten open en liet ik de telpost voor wat hij was. Hopend op een leuke soort zoals bladkoning. Maar die bleef uit. Want ook voor de nachttrekkers bleek het weer niet uitnodigend om op pad te gaan. Met iets meer dan 80 vogels werd het een rustige voormiddag.
En dan ging het ringwerk voor onze groep plots op slot. De oorzaak was een geval van vogelgriep in de buurt. De procedures schrijven voor dat in dat geval alle ringers die binnen de beschermde zone van 10 km liggen alle activiteiten moeten staken voor 3 weken. Jammer, maar anderzijds maakt het mijn keuze tussen ringen of de telpost een tijdje heel makkelijk. Vanaf nu kan je mij op de momenten dat ik kan elke voormiddag terugvinden in Oetersloven. Want ook deze vorm van vogels tellen is leuk, heel leuk. Zeker als er even een smelleken voorbij schiet of een rode wouw overzeilt.

Uitzicht vanaf onze telpost in Oetersloven

Treintje kiek

Met een aantal weken verlof in het vooruitzicht trok ik woensdag alvast naar onze telpost in Oetersloven. Wouter was al daar toen ik aankwam en had net een slanke kiekendief zien voorbijvliegen. De foto die hij nog kon nemen toen hij uit zijn auto was gestapt, gaf geen uitsluitsel. Een tegelijk hoopvolle, maar ook wat teleurstellende start van alweer een leuke telling. We besloten om deze kiekendief dan ook als steppe/grauwe de geschiedenis in te laten gaan. Want het moest een van deze twee geweest zijn. Het werd trouwens een goede voormiddag voor kiekendieven. Niet veel laten telden we vijf bruine kiekendieven op nog geen minuut. Mogelijk hadden ze in de buurt op een veld de nacht doorgebracht. Ze kwamen, zoals Wouter zo mooi verwoordde, als een treintje voorbij. Alleen al deze waarneming maakte mijn voormiddag goed. Dat er die dag wat minder vogels voorbij trokken vond ik niet zo erg.

Bruine kiekendief – Oetersloven – 17 september 2026

Vrijdag reed ik dan ook opnieuw naar onze telpost. Alweer een slome dag. Weinig vogels en een staalblauwe lucht zodat de weinige die overtrokken ook nog eens moeilijk te ontdekken waren. Het aantal ‘piepjes’ waar ik geen vogel aan kon koppelen liep aardig op. Geluiden: ze maken mij een kluns, zoals al eerder vermeld. Toch waren er opnieuw leuke momenten. Een mooi aantal holenduiven en die wat grotere beesten die dan ook nog eens mooi dichtbij voorbij komen pik ik er wel uit. Wouter kon ook boven Zepperen, dat is toch wel een stukje weg van de telpost, een groep van 11 ooievaars ontdekken. Jeugdige ogen zijn duidelijk een voordeel.

BoPi

Donderdag, tussen de twee trektellingen door, schoof ik mijn netten weer eens open. De zwartkoppen hielden mij goed bezig en stuwden het dagtotaal makkelijk boven de 140. Na de eerste ronde wissel ik altijd van geluid. Tijd voor de dagtrekkers waaronder toch wel wat geluiden van piepers en gorzen. Dit leverde toch alweer twee boompiepers op. Met 25 stuks tot nu toe is dit mijn beste jaar voor deze soort sinds ik hier vogels ring. En september is nog niet voorbij. Dus wie weet.

Ook de tjiffen komen op gang. Ik kon er toch 11 ringen. Die paar fitissen waren ook welkom, samen met de vier gekraagde roostaarten waaronder een prachtige adult mannetje. Toch ging uiteindelijk een pimpelmees op de foto. Niet enkel omdat het prachtige vogeltjes zijn. Maar vooral omdat ze voor elke ringer een nachtmerrie zijn om te behandelen. Deze kleine sadistjes hebben de gewoonte om stevig te bijten. Niet vol in je vingers, maar subtiel, met de punt van hun snaveltje. Ze pakken daarmee een heel klein stukje vel beet dat ze niet snel loslaten. Vaak op een plek waar het echt pijn doet. Ik ben er zeker van dat in vroeger tijden beulen pimpels vingen om hun slachtoffers dan in een kooi te steken vol met deze bijtertjes. Een marteling die menig voorvader tot ongewilde en soms zelf verzonnen bekentenissen heeft gedwongen. Of ga ik nu te ver met mijn gedachten…

Pimpelmees – ringvangst – 18 september 2026

Grijs is niet de toekomst

Mijn vogelweek begon alweer op woensdag. wel pas in de namiddag wegens, een overigens heel boeiende, bijeenkomst bij Landschapspark Haspengouw over de toekomst van de natuur in onze regio. Ik reed richting Schulen om er de grijze wouw te gaan bekijken die er al een paar dagen mooi zat te wezen. De zoektocht was makkelijk, zoek het trosje fotografen en kijk in de richting dat hun ‘kanonnen’ wijzen. Mooi midden op het afgesloten deel in een struik zat onze schitterende rover zich te poetsen. Tot ergernis van de aanwezige fotografen: ‘te ver’. Ik liet het aan mij voorbij gaan en genoot van deze toekomstige broedvogel voor Limburg (daar ben ik nu al zeker van, de vraag is alleen waar en wanneer) door mijn telescoop. In Vlaanderen heeft hij deze prestatie al neergezet. Solidair met de fotomensen nam ik ook een foto. Waardeloos, maar er was wel een klik. In mijn fototoestel dan toch. De echte plaatjesmakers stonden erbij en keken ernaar. Het moment om bij te praten met oude bekenden en kennis te maken met nieuwe vrienden. Dan komen de foto’s altijd boven. Johan G. toonde mij zijn beelden van de vorkstaartmeeuw. Pareltjes. Zijn verhaal hoe hij er in slaagde om dit kleine meeuwtje zo sfeervol op beeld te zetten, kreeg ik er gratis bij. Gezellig. Mijn resultaat van de grijze wouw zet ik dan ook met schaamrood op de wangen hier even bij. Deelnemen is duidelijk belangrijker dan winnen voor mij.

Grijze wouw – Schulensbroek – 9 september 2026

Na deze kennismaking bleef ik nog even hangen op de dijk. Want hier is altijd wel wat te zien. De zoölogische flamingo was nog steeds present. Hij liet mij zelfs even zijn vlucht bewonderen. Het blijven bizarre beesten. Dat is wat ik er van denk. Twee visarenden boven het meer waren ook de moeite. Samen met toch wel wat steltjes. Niet de hoeveelheden van vorig jaar, maar de trek is nog bezig. Terwijl ik over het water stond te turen kwam er plots een jong kereltje naar mij toe. ik schat hem 9 of 10 jaar. ‘Zie je iets speciaals?’ was zijn eerste zin. De man met de verrekijker die iets verder aan kwam lopen was zijn opa. Zijn ‘Daar, een kleine zilverreiger!’ deed mij even glimlachen. Op die leeftijd zo een soort kennen en herkennen is zonder twijfel een mooie prestatie. Dat hij enthousiast werd van de flamingo vergeef ik hem. Het blijft een opvallende verschijning. Zijn opa had veel moeite om deze grote roze waadvogel te vinden. Maar ook dat vergeef ik hem. Het feit dat hij zijn passie doorgaf aan zijn kleinzoon maakte alles goed. Ik wees hen nog even de plek aan van waar ze de grijze wouw konden zien. Al taterend met zijn opa wandelden ze verder. Mij achterlatend met een zalig gevoel. Jong geweld is wat wij nodig hebben. Grijze exemplaren hebben wal al meer dan genoeg (ik ben er eentje van), tenzij het een wouw is.

Flamingo – Schulensmeer – 9 september 2026 (ook ik ben gafascineerd)

Triller

Omdat ze op zondag regen voorspelden besloot om donderdagavond mijn geluid klaar te zetten op mijn ringplek. Goede keuze! De zwartkoppen gaven er alweer een lap op. Ondertussen ringde ik er dit jaar al meer dan 600. Leuk waren de zes boompiepers tijdens mijn tweede controle. Die doen het goed dit jaar. Maar de kers van de voormiddag was een sprinkhaanzanger. Altijd leuk om zo eentje uit het net te halen. Dit beestje heeft een lange naam en een lange adem. Ooit was die naam zelfs nog langer. Ze hebben het ‘riet’ er tussenuit gehaald. Besparing van inkt vermoedelijk. Zijn adem is even lang gebleven. Hij kan minutenlang zijn eentonige triller laten horen. Een voor een vogel wel wat vreemd geluid, dat door heel wat niet-vogelkijkers totaal over het hoofd wordt gezien. Jammer, want voor mij is het telkens weer een moment dat ik even blijf staan. Horen, leuk, zien, een uitdaging. Behalve als hij in de onderste baan van mijn net hangt te bengelen. Het voorrecht van het ringwerk veronderstel ik.

Sprinkhaanzanger – ringvangst – 11 september 2026

Zondag beslisten de weergoden om de hemelsluizen regelmatig open te zetten. Het werd dan ook een dagje luieren in de zetel en op youtube wat genieten van wat vogeltjes en onze Belgen zien verliezen in het EK 3×3. Ook leuk, ik bedoel die vogeltjes op mijn tv-scherm. Maar buiten ze in levende lijve bekijken is toch veel beter. Op naar beter weer en meer vogels.

Geteld

Het werd een telweek met drie bezoeken aan onze telpost in Oetersloven en een arbeidsintensieve ringdag op zondag. Met vogels, véééél vogels.

Op woensdag koos ik voor de telpost. Makkelijke keuze, want ze voorspelden veel wind. Dan is ringen geen optie. Het werd, samen met Pierre, een leuke dag met vooral zwaluwen on the move. We telden 153 ‘boerkes’ (boerenzwaluwen) en 10 ‘huiskes’ (huiszwaluwen). Die afkortingen gebruiken we op de telpost om de indruk te krijgen dat we als oude vogelaars toch nog cool zijn. Ik twijfel of dit met succes is.
De ster van deze telling was zonder twijfel de jaarlijkse wulp. Hij kwam luid roepend aangevlogen. Gek was wel dat zowel Pierre als ik totaal geen idee hadden waar die luid roepende steltloper vandaan kwam. Tot we hem oppikten boven de kapel. De gekromde snavel was uiteraard onmiskenbaar. De laatste drie jaar kon Pierre er telkens eentje opschrijven. Dus zeker geen algemene soort voor onze telpost. Enkel in 2007 hadden we er twee. Maar er waren nog veel meer wulploze jaren.

Showbeest

Vrijdag stond ik er opnieuw. Alweer dankzij een stevige ZW-wind. Onze zwaluwen waren ook deze keer de meest vertegenwoordigde doortrekkers. Maar liefst 306 boerenzwaluwen en toch ook 18 huiszwaluwen. Die laatsten vliegen duidelijk een stuk hoger door, waardoor ze volgens mij wel vaker gemist worden. Wouter, die er deze keer ook bij was, ontdekte een jagende juveniele havik. Spektakel gegarandeerd! Maar die werd makkelijk overtroffen door een, ook eerstejaars, wespendief die zelfs even op een straatlamp vlakbij de telpost kwam zitten. Zo zie je ze niet vaak.

Wespendief 1ste jaars – telpost Oetersloven – 4 september 2026

Zaterdag opnieuw present in Oetersloven. Deze keer naast Pierre ook met de beloftevolle jeugd in de vorm van Jens en Nathan. Ondanks wat minder wind bleef het vrij rustig. Alweer waren het de zwaluwen die onze telling wat animeerden. Deze keer 220 boerenzwaluwen en 20 huiszwaluwen. Hiermee zag ik dus op de telpost op drie dagen in totaal 679 ‘boerkes’ en 48 ‘huiskes’. Ook op deze telling waren er entertainers van dienst in de vorm van een paartje tapuiten die op de paaltjes vlakbij onze telpost kwamen pronken. Leuke afwisseling.

Tapuit – telpost Oetersloven – 5 september 2026

Werkendag

Zondag besloot ik dan toch om nog eens een dagje vogels te ringen. De weermannen (en vrouwen) van dienst hadden een windstille voormiddag voorspeld met aangename temperaturen. Bij het openschuiven van de netten werd al snel duidelijk dat er tijdens de nacht heel wat vogels op mijn ringplek waren ingevallen. In elke struik hoorde ik geritsel. Dat beloofde. Mijn gevoel klopte. Met 135 zwartkoppen (zij namen zoals gewoonlijk de hoofdmoot voor hun rekening) was het afzien om alles geringd, gemeten en gewogen te krijgen. Kersen van de dag waren twee late bosrietzangers, de aanzet van de doortrek van heggenmussen voor dit najaar en mijn eerste vuurgoudhaantje voor dit jaar. Deze kleurenbommetjes zijn altijd een mooi cadeau.

Uiteindelijk kon ik 188 vogels ringen. Samen met de exemplaren die op de dagen dat ik op de telpost stond over mijn hoofd vlogen stond de teller voor deze week op maar liefst 1.051 vogels die ik zag. Een getal dat ook staat geregistreerd op de geweldige website van trektellen.be. Dus wie mijn verklaring in twijfel trekt mag daar eens gaan piepen.

Telpostmicrobe

Op woensdag stond ik weer op de telpost in Oetersloven. Na een paar vluchtige bezoeken was dat al weer even geleden. De trigger was de melding van doortrek van heel wat wespendieven. Duizenden vogels waren in mooie bellen begonnen aan hun trek naar Afrika. Bellen? Even uitleggen, dat zijn groepen roofvogels die op thermiek samen omhoog draaien om even later een voor een af te glijden. De manier om op een energiebesparende manier te reizen. Vooral heel spectaculair. Dat gevoel was ik even vergeten. Het ontdekken van zo een grote groep vogels in die staalblauwe lucht of tegen een witte wolk. Eigenlijk had ik dat wat gemist zonder dat ik mij dat realiseerde. Nu, de weergoden hadden mijn keuze makkelijk gemaakt. Met kans op stevige buien is vogels ringen thuis uitgesloten. Je wil geen vogels in de netten hebben hangen als er plots een onweer opkomt. Nefast voor de gevangen beestjes en heel kou, nat en onaangenaam voor de ringer, ik dus.

Goed begonnen

Mijn eerste dag op de telpost was trouwens al dadelijk een schot in de roos. Voormiddag was het slapjes met af en toe een bui en weinig vogels. Maar aangezien er nog wespendieven voorspeld waren kwamen Pierre en ik namiddag terug. Een goede keuze zo bleek. Twee mooie groepen ooievaars (35 in totaal), twee zwarte ooievaars, drie bruine kiekendieven waarvan eentje mooi jagend vlak voor de telpost, toch nog 48 wespendieven en als toetje een visarend. Een mooi lijstje voor een weide in Oetersloven.

Wespendief op trek (foto: Tibbout Van de Walle)

Donderdag koos ik dan toch voor mijn ringplek. Het blijft een dilemma, tellen, ringen of ergens vogels gaan kijken. Elke keer weer. Ook hier deden de boompiepers mee. Nadat ik ze op de telpost zag overvliegen, had ik ze nu in mijn handen. Ondertussen al 17 dit jaar. Op dit moment al het tweede beste jaar ooit voor deze mooie soort. Enkel in 2016 had ik er meer (24). Maar dan over gans het najaar. Eind augustus waren het er toen 15. Dus is er nog hoop om een nieuwe beste jaarprestatie neer te zetten.
Bij het dichtschuiven van de netten kon ik nog een mooie bel wespendieven – het waren er 28 – boven de ringplek bewonderen. Voor mij een teken om alweer naar Oetersloven te rijden morgenvroeg.

Boompieper (archieffoto)

Dubbel?

Vrijdag stond ik dus om 8u alweer op de telpost. Tegen beter weten in, want Pierre bleef netjes thuis. Hij vond de weersvoorspellingen niet van die aard om naar Oetersloven te rijden. Uiteraard had hij gelijk. Het was een stuk stiller dan woensdag. Zo goed als geen trek. Maar ik zou en moest die pas geïnstalleerde app uitproberen. Tja, zo zit ik nu eenmaal in elkaar. Elke nieuwe uitdaging is voor mij eentje die ik alweer aan 200% aanpak. Een zwak puntje zeggen sommigen. Al snel had ik door dat een tijd wegblijven op de telpost mij geen goed had gedaan. Een talent van een goede trekteller is dat hij op basis van een kort roepje en de manier hoe een vogel vliegt – als je hem al kan vinden in die brede lucht boven de telpost – kan zeggen welke soort er net voorbij kwam. Bij het ringen kan je die vogel uitgebreid bekijken. In het veld blijven meestal wel een tijdje zitten zodat je er je telescoop kan op richten. Op de telpost is dat vaak maar een fractie van een seconde. Dat was even slikken voor mij. Enkele groepjes vlogen dan ook voorbij zonder dat ik ze in mijn nieuwe app invoerde. Gewoonweg omdat ik ze niet op naam kon brengen. Het gaf een beetje het gevoel als iemand die ooit fietste en naar heel veel jaren terug op zijn fiets springt. Je weet dat je het kan, maar het zal weer wat oefenen worden.
Uiteindelijk kon ik toch een aantal soorten noteren. Boompiepers (want die roep kende ik van op mijn ringplek), gele kwikstaarten, een duidelijke grote gele kwik (mooi kunnen bekijken in de kijker), een leuke groep van 12 grote lijsters en vier holenduiven die strak doorvlogen.
Want dat is een voorwaarde om ze te mogen meetellen. Vaak krijgen wij van bezoekers en niet-vogelaars op de telpost die vraag. ‘Hoe weet je dat die vogel op trek is?’. Wel, dat zie je meteen. Een vogel die blijft ronddraaien boven of in de buurt van telpost wordt niet genoteerd. Enkel als ze strak en snel doorvliegen in een rechte lijn over de telpost in de goede windrichting is er sprake van trek. ‘En tel je die vogels niet dubbel?’ is ook een (te) vaak gehoorde vraag. Zo goed als zeker niet. Vogels die op trek zijn hebben geen zin om nog even een stukje terug te vliegen. Ze hebben nog heel veel kilometers te gaan, dus doorvliegen is de boodschap.

Zelf begin ik tot het besef te komen dat ik vooral een teller ben. Elke activiteit met vogeltjes waar ik een app mee kan gebruiken vind ik de max. Van ringwerk, inventariseren tot trektellen. Niet dat ik een zeldzame verschijning zal overslaan. Maar stilaan wordt het mij duidelijk welke keuzes ik ga maken. En de telpost in Oetersloven staat daar zonder twijfel tussen. Al is het maar voor dat mooie uitzicht dat we daar hebben.

Nipt nieuwe Belg

Met een halve week verlof werden er alvast heel wat plannen gesmeed. Het begon met een bezoek aan het Schulensbroek op woensdag. De gemelde, weliswaar ontsnapte, flamingo wilde ik wel eens met mijn eigen ogen zien. Dat lukte wonderwel. Hij liep mooi te wezen op nog geen 50 meter van de dijk. Leuk beest. Maar eentje die niet meetelt voor mijn lijstjes. Het is wat ze in ons vogelkijkers-wereldje noemen een escape. Tenzij je ook een exoten-lijst hebt (wat ik eigenlijk stiekem ook bij hou). Deze roze schoonheid leefde nog niet zo lang geleden in een vogelpark in Nederland nabij Eindhoven. De ring aan zijn poot gaf dit weg. Tot hij besloot om de wijde wereld in te trekken. Zijn reis stopte voorlopig in Schulen.

Flamingo – Schulensbroek – 19 augustus 2026

Donderdag was het weer ringen geblazen. Verkeerde keuze trouwens, met slechts 30 vogels in de netten. Mijn veronderstelling dat het hete weer geen invloed had, kreeg nog een extra bewijs. Want nu was het weer ‘normaal’ wat betreft temperatuur. Buien vinden trekvogels veel minder leuk dan warm weer.

Zeevogel

Vrijdag opnieuw naar Schulen. Ik krijg het gevoel dat dit een vaste trip gaat worden. Wat een geweldig gebied is dit toch! Ik was er al heel vroeg en mijn vriendje de flamingo was nog steeds present. Maar er zat nog veel meer. De steltjes beginnen stilletjes binnen te druppelen. De eerste groenpootruiters en een zwarte ruiter is een goede start van hopelijk een geweldige steltjestrek. Maar de ster van de dag was zonder enige twijfel een visarend. Na even boven het meer te hebben gecirkeld, ging hij zelfs op een paaltje zitten. Wat ik toen zag is voor mij een nieuwe ervaring. De flamingo die vlakbij dat paaltje aan het fourageren was, vloog op en ging achter de visarend aan. Die schrok zich te pletter toen hij dat rare, roze beest op zich zag afkomen. Wat een spektakel!

’s Avonds kreeg ik de melding door van een adulte vorkstaartmeeuw aan de Maas. Weliswaar aan Nederlandse kant in Itteren. Toch zag ik dat er enkele Limburgse vogelkijkers naar daar waren gereden. De vogel werd gezien boven Belgisch grondgebied.
Want het is een strenge regel dat je een vogel pas op je Belgische lijst mag meetellen als die effectief op of boven ons landje werd waargenomen. Vaak een regel die met een dikke korrel zout wordt genomen. Maar ik ben daar heel strikt in. Menige soort mis ik nog op mijn lijst omdat die het vertikte om aan de juiste kant van de Maas te komen zitten. Just is just.
Mijn plannen om morinelplevieren te gaan zoeken in de Haspengouwse velden werd omgezet naar een trip naar de Maaskant. Goede keuze, want toen ik uit de auto stapte stonden er al een paar vogelkijkers. Nadat ik al mijn materiaal uit de koffer had gepakt, wandelde ik naar hen toe. Hun eerste zin was: ‘daar vliegt hij’. Nog geen seconde later kreeg ik een vliegende vorkstaartmeeuw in beeld. Dat is wel geluk hebben. Echter wel duidelijk een heel eind boven Nederland. Dus geen extra soort op mijn lijst. De herontdekker was een oude bekende, Stijn Raymaekers. Een mooie bonus na het bekijken van deze mooie meeuw.
Omdat de vogel ver en hoog was weggevlogen besloten Stijn en ik om bij Itteren, waar de vogel ook al eens gezien was, te gaan kijken. We waren nog maar net Hochter Bampd binnen gewandeld of Stijn kreeg een bericht op zijn gsm dat de meeuw opnieuw was gezien in Smeermaas. Snel terug naar de auto en rechtsomkeer. Gelukkig zat ze er nog. Deze keer zittend tussen de andere meeuwen. Mooi!

Vorkstaartmeeuw adult – Smeermaas – 22 augustus 2026

Maar opnieuw in Nederland. Tot ze even later hoog opvloog naar het noorden. We konden ze goed volgen in de telescoop. Plots kwam er een boom in beeld waar ze naar links aan voorbij vloog. En ik kende die boom! Die stond op de dijk in Hochter Bampd. Toen de vorkstaart uit beeld was besloot ik dan ook richting dat natuurgebied te wandelen. Misschien was ze wel op de plas daar geland. Even later stond ik aan die bewuste boom. De kraaien die ik er in had zien zitten vanachter mijn telescoop, zaten er zelfs nog in. Nu was ik zeker, ik had een vorkstaartmeeuw gezien die boven Belgische grondgebied vloog. Nummer 316 op mijn Belgische lijst was een feit. Euforisch besloot ik door te wandelen tot in Herbricht, waar het meeuwtje ondertussen gemeld werd. Daar kon ik ze na een stevige wandeling nog eens goed bekijken. Wat een schoonheid trouwens. Deze meeuwen zie je normaal gezien enkel bij stormweer al eens aan de kust. Het zijn echte zeevogels. En een adulte vogel zien is dan ook nog eens niet vanzelfsprekend. Dit was echt een mooie waarneming. Nu moest ik wel nog helemaal terug tot aan mijn wagen in Smeermaas. Een stevige tocht die mijn huisdokter zonder enige twijfel zal toejuichen. Zijn raad om mijn auto, als ik naar een vogel ga kijken, een stuk verder te zetten had ik deze keer wel erg letterlijk genomen.

Zus leeft

Zondag was Kristof weer present om te komen helpen bij het ringen. De verwachtingen waren hoog, want Hub – een collega ringer – had de dag er voor meer dan 300 vogels geringd. Een stevig record volgens mij. Bij het openschuiven van de netten leek het geritsel in de struiken alvast het vermoeden dat er veel vogels onderweg waren te bevestigen. En bij de eerste ronde was het koekenbak. Vooral de zwartkoppen waren present. Er was een stevige landing aangekomen. Uiteindelijk konden we 174 vogels ringen. Het was een hele klus. Leukste soort waren de boompiepers. Die trekken op dit moment door, maar ze vangen is vaak niet zo makkelijk. Deze keer ging het wat vlotter met een nieuw dagrecord van acht stuks als gevolg.
De leukste vogel was alweer een merel. Kristof mocht een van de door hem geringde pulli uit een nest vlakbij de ringplek terug goeiedag zeggen. Een zus van de vorige die ik ving. Met twee merels die nog leven is het broedsucces van dat nest dan toch 50%. Een positief verhaal om de week mee af te sluiten.

Eentje haalde het

Ondanks de zinderende hitte werd er toch geringd. Ik heb trouwens totaal niet de indruk dat die tropische temperaturen invloed hebben op de trek. Het zijn dan wel bijna allemaal nachttrekkers die wij ringen, maar toch. De omstandigheden zijn uitzonderlijk zou je denken. ’s Morgens is het wel zalig. Tijdens die hitte lig ik vaak uitgeteld op de zetel binnen met een ventilator op mij gericht. Maar bij zonsopgang is het goed te doen. Woensdag had ik zelfs wat vallende sterren als bonus tijdens het openzetten van de netten.

Ondertussen groeit mijn soortenlijst weer wat aan. De jaarlijkse draaihalzen – jawel, twee op een dag – staan al genoteerd en ook mijn eerste bonte vliegenvanger kon ik ringen. Altijd leuk zo een paar ‘kersen’. Maar verder zij het vooral de kleine karekieten en zwartkoppen die met lange reeksen door mijn handen gaan. Toch blijft ook dit leuk. Oud of jong? Soms leuke ‘afwijkingen’, zoals eentje met een wit kruintje. Hebben ze rui en hoe? Opgevet voor hun lange reis of nog werk aan de winkel? Boeiend.
Woensdag had ik bijvoorbeeld een kleine karekiet met wel heel mooie groeistrepen. Groeistrepen? Wel dat zijn onderbrekingen van de groeiende pennen, meestal de staartpennen door tekort aan voedsel. Die periodes kan je mooi zien, een beetje zoals jaarringen in een boom.

Groeistrepen kleine karekiet

Omdat de veren op dat moment langzamer groeien zitten de baarden (de zijhaartjes van een veer) dichter bij elkaar en krijg je donkere banden. Zoals op de foto. Dit duidt vaak op een jonge vogel. Vaak omdat het ook af en toe voorkomt bij adulte vogels. Ook die krijgen tijdens de rui nieuwe veren en dan kan er net op dat moment een tekort aan voedsel zijn. Het verschil is echter dat bij een 1ste jaars de veren allemaal tegelijk groeien en de groeistreep dan ook mooi recht is. Bij adulte vogels groeien de veren een voor een, meestal van het centrale deel van de staart of vleugel naar buiten en daardoor is de groeistreep dan niet recht maar gebogen. Een van de manieren om 1ste jaars en adulte vogels uit elkaar te houden.

Draaihals 1ste jaars – Graeterbeemd – 16 augustus 2026
Bonte vliegenvanger 1ste jaars man – Graeterbeemd – 14 augustus 2026

Ooitjes bij de vleet

Zaterdag ging ik nog eens op pad met Wouter en Pierre. Schulensbroek was onze bestemming en dat bleek een goede keuze. Ik heb het hier al vaak gezegd, maar zeg het nog eens: dit is een topgebied. Zelfs na een periode van hittegolven. Misschien wel net na zo een periode, want hier is nog water te vinden. We begonnen met een aantal jonge waterrallen die zich mooi lieten bekijken en een vlucht van zes zwarte ooievaars over ons hoofd. Goed begonnen zou ik zeggen. De steltjes waren er, maar nog niet in grote aantallen. Witgatjes, bosruiters en heel wat watersnippen. Dit samen met maar liefst 15 kleine zilverreigers. Voor het binnenland zeker geen evidentie. De verwachte graszanger deed ook zijn ding, vliegen en zippen en als bisnummer zich mooi laten bekijken. Dat laatste deden ook een (vermoedelijke) familie grauwe klauwieren. Vlak langs de weg gaven ze een showtje in een meidoornstruik. Vader, moeder en kindlief. Die laatste kwam iets verder ook nog even netjes poseren voor onze camera’s. Zelfs ik kon mij niet meer bedwingen en haalde mijn camera boven. De groep van maar liefst 60 witte ooievaars die op thermiek hun trek naar het zuiden verder zetten, te zien vanaf het terras van ’t Vloot met een verfrissende Liefmans Kriek, was een waardige afsluiter van een schitterende voormiddag vogels kijken. Tja, dit moet ik echt meer gaan doen in deze spannende periode.

Grauwe klauwier juveniel – Schulensbroek – 15 augustus 2026

Leuk weerzien

Zondag was het opnieuw ringen geblazen. ’s Ochtends was het alvast een stuk koeler en ook de zon bleef een lange tijd achter de wolken zitten. Dat was even geleden. Maar opnieuw had het weinig effect op de vogels. Het werden er 77 met alweer twee draaihalzen. Volgens mij het eerste jaar dat ik twee dagen met meer dan één draaihals kan voorleggen aan de commissie. Er kwam ook een soort bij op mij lijst voor 2026: grauwe vliegenvanger. Deze soort vangen we echt niet veel. Pas de derde voor mijn ringplek. Dus een opsteker.

Grauwe vliegenvanger 1ste jaars – Graeterbeemd – 16 augustus 2026

Maar de leukste vangst van de voorbije week was zonder twijfel een merel. Een doodgewone soort, voor zo ver er doodgewone soorten bestaan. Maar eentje met een verhaal. Toen ik hem in het net zag hangen zag ik al dadelijk dat hij geringd was. Een controle van een reeds geringde vogel is altijd even kicken. Zeker als het geen blinkende ring is, wat hier het geval was. Want een blinkende ring – zeker na de eerste ronde – is heel vaak de terugvangst van een diezelfde dag al door onszelf gevangen vogel. In het beste geval is het er eentje van de voorbije dagen of weken. Maar een niet blinkende ring duidt vaak op een vogel die niet door ons werd geringd of al langer geleden al eens in het net vloog hier. Zo had al een mannetje zwartkop gecontroleerd die ik zelf in 2025 als 1ste jaars vogel zelf had geringd. Dit exemplaar had dus al een tocht naar het zuiden (vermoedelijk) er op zitten en is dan teruggekeerd naar zijn geboorteplek. Dat is toch al mooi.
Maar die merel was nog een leuker verhaal. Want toen ik deze vogel uit het zakje haalde met het idee dat het een adult exemplaar was, bleek het een jong vrouwtje te zijn. Ik was wat in de war. Een op het eerste zicht oude ring met niet zo goed leesbare cijfertjes aan de poot van een vogel die dit jaar is geboren. Wat was hier aan de hand? Mijn reflex was dat het wel eens eentje kon zijn die Kristof had geringd met een oude reeks ringen. Mijn veronderstelling klopte half. Het bleek inderdaad een jonge merel te zijn die Kristof in de beemd vlakbij mijn ringplek had geringd op het nest. Maar het was geen oude ring. Kristof heeft namelijk de goede gewoonte om de ringen die hij gebruikt om pulli in het nest te ringen zwart te maken met een stift. Hierdoor is de kans dat de oudervogels dat glimmend ding uit het nest willen kieperen met het jong er aan vast veel kleiner. Hierdoor was deze ring veel doffer geworden.
Dus niet alleen een toffe controle voor mij, maar ook een leuke terugmelding voor Kristof. Heel veel jongen sneuvelen al heel vroeg of vliegen zelfs niet uit. Kristof ondervond dit bij het zoeken naar nesten. Van de vele nesten van merels en zanglijsters die hij kon vinden kon hij maar een fractie ringen. Met de bijkomende vraag of ze dan ook effectief uitvliegen en groot worden. Erg? Niet echt. Dit is een normale en natuurlijke zaak. Ten eerste zijn de nesten die wij als ringers vinden vaak de makkelijker te vinden nesten, ook voor predators. De kans dat die mislukken is al vrij groot. Daarnaast sneuvelen zoals gezegd een heel groot percentage van de jongen of nesten. De natuur heeft dit voorzien. Vaak broeden en veel jongen produceren is de juiste keuze voor deze soorten. Als een broedpaar er in slaagt om meer jongen groot te krijgen dan er adulte vogels sterven groeit de populatie of blijft ze minstens stabiel. En zelfs met die grote uitval bij merels en zo ook heel wat andere soorten vogels, slagen de meeste koppels er in om elk jaar wel een paar jongen groot te krijgen. Missie meer dan geslaagd. Dat geldt dus ook voor de ouders van de merel die Kristof ringde en ik controleerde. Een overlever en aanwinst voor de populatie.

Merel adulte man (archieffoto)

Aangezien je dit leest, veronderstel ik dat je de ganse post hebt gelezen. Vind je mijn blog boeiend en de moeite om te lezen, abonneer je dan. Dat kan door gewoonweg je mailadres in te vullen rechts van deze post en op de ‘abonneren’-knop te klikken.
Hierdoor ontvang je bij elke nieuwe post een persoonlijk bericht en mis je niets meer van deze blog. Gewoon doen!

Diperdedip hoera

Op woensdag werden de ringwerken opgeschort. Samen met Gert en Pierre planden we een trip naar onze Belgische kust. Daar was een mega (zeldzame soort die is gevonden) gespot, de kleinste strandloper. Een Amerikaanse dwaalgast. Pas de tweede waarneming voor België en voor mij een nieuwe lifer en dus ook een extra soort op mijn Belgische lijst. Dat hij de avond ervoor om 22u nog was gemeld terwijl hij zich zat te poetsen gaf ons hoop op een goede afloop.
Wisten wij veel dat het heel anders zou lopen. Bij aankomst zat de kijkhut aan het plasje waar onze doelsoort al een aantal dagen verbleef al stevig vol. Het was wat drummen om naar buiten te kunnen kijken. De camera’s en telescopen stonden er jammer genoeg opvallend rustig bij. Voorlopig nog geen kleinste te zien. Maar er was hoop, want de andere dagen dook hij soms ook pas later in de ochtend op. Maar de klok tikte langzaam maar zeker door. Na een paar uurtjes naar het plasje turen zonk de moed ons stilletjes in de schoenen. Vermoedelijk was de poetsbeurt niet zijn avondritueel om te gaan slapen, maar een voorbereiding om die nacht zijn reis verder te zetten.

Het kleinste strandloper-loze plasje

Het risico van het kiezen voor een latere golf-twitch. Ik ben dan ook een amateuristische twitcher. De échte laten op het moment dat er zo een mega opduikt alles vallen en springen dadelijk in hun auto. Ze arriveren dan wel op het drukste moment met in dit geval nog veel meer volk in de kijkhut, maar de kans dat ze die kleinste strandloper mogen afvinken is redelijk groot. De bende die wat langer wacht, waar ik dus bij hoor, vist regelmatig achter het net. Dippen noemen ze dat. Stevig deze keer. We reden, wel na een lekkere portie mosselen op de Blankenbergse dijk, zonder onze kleinste strandloper naar huis. Die vloog ondertussen elders rond, zich van ons geen zier aantrekkend. Zoals het hoort. Some you win, some you lose…

Dan maar een grote

Vrijdag gingen de netten dan weer open. Hopelijk werd mijn dip van woensdag hier goedgemaakt. Wel, dat was wat mij betreft het geval. Het is duidelijk dat de trek van de bosrietzangers stilaan voorbij lijkt. Ik ving er nog acht. De kleine karekieten daarentegen deden het met 47 exemplaren prima. Vermoedelijk ilossen ze elke nacht ergens een bus in de buurt. Want veel riet moet je hier niet gaan zoeken. Voor het eerste rietveld van wat betekenis moet je toch al gauw 8 kilometer overbruggen in vogelvlucht. Dus elke rietvogel die ik hier vang is er eentje die op weg is naar zijn of haar overwinteringsgebied. Dat geldt ook voor de blauwborst die ik de eerste rond uit het net mocht halen. Een mooie kers, want die ring ik niet zo vaak. Het was pas de 8ste voor mijn ringplek.
Maar het werd nog beter. Tijdens de tweede controleronde zag ik een grotere vogel hangen in het net achteraan, waar ik met wat olifantengras een zielige poging heb gedaan om een rietveldje na te bootsen. Eerst dacht ik een spreeuw – wat ook leuk was geweest – maar het bleek toch iets anders. Het was mijn tweede grote karekiet ooit. Een heel dikke kers. Tja, als je die kleinste hebt gemist, dan vang je toch gewoon een grote.

Blauwborst 1ste jaars man – ringvangst – 7 augustus 2026
Grote karekiet 1ste jaars – ringvangst – 7 augustus 2026

Zondag opnieuw aan de slag op de ringplek. Deze keer met Kristof als hulp en het was nodig. Onze eerste voormiddag met meer dan 100 vogels. Het werden er 113. De kleine karekieten namen net geen 50% voor hun rekening (49). Tuinfluiter (15) en gekraagde roodstaart (12) waren ook on the move. De eerste fitissen en een boompieper duwden mijn soortenlijstje naar 27 voor dit najaar. Maar de kers van de dag was een nachtegaal. De tweede voor dit jaar en de 38ste voor de ringplek. Leuk dat deze iconische soort toch af en toe eens passeert en zich dan laat vangen.

Gekraagde roodstaart – adulte man – ringvangst – 9 augustus 2026
Nachtegaal – 1ste jaars – ringvangst – 9 augustus 2026
NATUURVERSLAVING

De wonderen der natuur op het netvlies van Willem Bosma

Dippyman

A blog about wildlife and well-being, by Paul Brook

Steven Kijkt Vogels

Een (foto)blog over vogels in Nederland

SLAGPEN

Vogels kijken doe je met je oren.

Evolutionary Stories

Funny and remarkable observations in evolutionary research