Ondanks de zinderende hitte werd er toch geringd. Ik heb trouwens totaal niet de indruk dat die tropische temperaturen invloed hebben op de trek. Het zijn dan wel bijna allemaal nachttrekkers die wij ringen, maar toch. De omstandigheden zijn uitzonderlijk zou je denken. ’s Morgens is het wel zalig. Tijdens die hitte lig ik vaak uitgeteld op de zetel binnen met een ventilator op mij gericht. Maar bij zonsopgang is het goed te doen. Woensdag had ik zelfs wat vallende sterren als bonus tijdens het openzetten van de netten.
Ondertussen groeit mijn soortenlijst weer wat aan. De jaarlijkse draaihalzen – jawel, twee op een dag – staan al genoteerd en ook mijn eerste bonte vliegenvanger kon ik ringen. Altijd leuk zo een paar ‘kersen’. Maar verder zij het vooral de kleine karekieten en zwartkoppen die met lange reeksen door mijn handen gaan. Toch blijft ook dit leuk. Oud of jong? Soms leuke ‘afwijkingen’, zoals eentje met een wit kruintje. Hebben ze rui en hoe? Opgevet voor hun lange reis of nog werk aan de winkel? Boeiend.
Woensdag had ik bijvoorbeeld een kleine karekiet met wel heel mooie groeistrepen. Groeistrepen? Wel dat zijn onderbrekingen van de groeiende pennen, meestal de staartpennen door tekort aan voedsel. Die periodes kan je mooi zien, een beetje zoals jaarringen in een boom.

Omdat de veren op dat moment langzamer groeien zitten de baarden (de zijhaartjes van een veer) dichter bij elkaar en krijg je donkere banden. Zoals op de foto. Dit duidt vaak op een jonge vogel. Vaak omdat het ook af en toe voorkomt bij adulte vogels. Ook die krijgen tijdens de rui nieuwe veren en dan kan er net op dat moment een tekort aan voedsel zijn. Het verschil is echter dat bij een 1ste jaars de veren allemaal tegelijk groeien en de groeistreep dan ook mooi recht is. Bij adulte vogels groeien de veren een voor een, meestal van het centrale deel van de staart of vleugel naar buiten en daardoor is de groeistreep dan niet recht maar gebogen. Een van de manieren om 1ste jaars en adulte vogels uit elkaar te houden.


Ooitjes bij de vleet
Zaterdag ging ik nog eens op pad met Wouter en Pierre. Schulensbroek was onze bestemming en dat bleek een goede keuze. Ik heb het hier al vaak gezegd, maar zeg het nog eens: dit is een topgebied. Zelfs na een periode van hittegolven. Misschien wel net na zo een periode, want hier is nog water te vinden. We begonnen met een aantal jonge waterrallen die zich mooi lieten bekijken en een vlucht van zes zwarte ooievaars over ons hoofd. Goed begonnen zou ik zeggen. De steltjes waren er, maar nog niet in grote aantallen. Witgatjes, bosruiters en heel wat watersnippen. Dit samen met maar liefst 15 kleine zilverreigers. Voor het binnenland zeker geen evidentie. De verwachte graszanger deed ook zijn ding, vliegen en zippen en als bisnummer zich mooi laten bekijken. Dat laatste deden ook een (vermoedelijke) familie grauwe klauwieren. Vlak langs de weg gaven ze een showtje in een meidoornstruik. Vader, moeder en kindlief. Die laatste kwam iets verder ook nog even netjes poseren voor onze camera’s. Zelfs ik kon mij niet meer bedwingen en haalde mijn camera boven. De groep van maar liefst 60 witte ooievaars die op thermiek hun trek naar het zuiden verder zetten, te zien vanaf het terras van ’t Vloot met een verfrissende Liefmans Kriek, was een waardige afsluiter van een schitterende voormiddag vogels kijken. Tja, dit moet ik echt meer gaan doen in deze spannende periode.

Leuk weerzien
Zondag was het opnieuw ringen geblazen. ’s Ochtends was het alvast een stuk koeler en ook de zon bleef een lange tijd achter de wolken zitten. Dat was even geleden. Maar opnieuw had het weinig effect op de vogels. Het werden er 77 met alweer twee draaihalzen. Volgens mij het eerste jaar dat ik twee dagen met meer dan één draaihals kan voorleggen aan de commissie. Er kwam ook een soort bij op mij lijst voor 2026: grauwe vliegenvanger. Deze soort vangen we echt niet veel. Pas de derde voor mijn ringplek. Dus een opsteker.

Maar de leukste vangst van de voorbije week was zonder twijfel een merel. Een doodgewone soort, voor zo ver er doodgewone soorten bestaan. Maar eentje met een verhaal. Toen ik hem in het net zag hangen zag ik al dadelijk dat hij geringd was. Een controle van een reeds geringde vogel is altijd even kicken. Zeker als het geen blinkende ring is, wat hier het geval was. Want een blinkende ring – zeker na de eerste ronde – is heel vaak de terugvangst van een diezelfde dag al door onszelf gevangen vogel. In het beste geval is het er eentje van de voorbije dagen of weken. Maar een niet blinkende ring duidt vaak op een vogel die niet door ons werd geringd of al langer geleden al eens in het net vloog hier. Zo had al een mannetje zwartkop gecontroleerd die ik zelf in 2025 als 1ste jaars vogel zelf had geringd. Dit exemplaar had dus al een tocht naar het zuiden (vermoedelijk) er op zitten en is dan teruggekeerd naar zijn geboorteplek. Dat is toch al mooi.
Maar die merel was nog een leuker verhaal. Want toen ik deze vogel uit het zakje haalde met het idee dat het een adult exemplaar was, bleek het een jong vrouwtje te zijn. Ik was wat in de war. Een op het eerste zicht oude ring met niet zo goed leesbare cijfertjes aan de poot van een vogel die dit jaar is geboren. Wat was hier aan de hand? Mijn reflex was dat het wel eens eentje kon zijn die Kristof had geringd met een oude reeks ringen. Mijn veronderstelling klopte half. Het bleek inderdaad een jonge merel te zijn die Kristof in de beemd vlakbij mijn ringplek had geringd op het nest. Maar het was geen oude ring. Kristof heeft namelijk de goede gewoonte om de ringen die hij gebruikt om pulli in het nest te ringen zwart te maken met een stift. Hierdoor is de kans dat de oudervogels dat glimmend ding uit het nest willen kieperen met het jong er aan vast veel kleiner. Hierdoor was deze ring veel doffer geworden.
Dus niet alleen een toffe controle voor mij, maar ook een leuke terugmelding voor Kristof. Heel veel jongen sneuvelen al heel vroeg of vliegen zelfs niet uit. Kristof ondervond dit bij het zoeken naar nesten. Van de vele nesten van merels en zanglijsters die hij kon vinden kon hij maar een fractie ringen. Met de bijkomende vraag of ze dan ook effectief uitvliegen en groot worden. Erg? Niet echt. Dit is een normale en natuurlijke zaak. Ten eerste zijn de nesten die wij als ringers vinden vaak de makkelijker te vinden nesten, ook voor predators. De kans dat die mislukken is al vrij groot. Daarnaast sneuvelen zoals gezegd een heel groot percentage van de jongen of nesten. De natuur heeft dit voorzien. Vaak broeden en veel jongen produceren is de juiste keuze voor deze soorten. Als een broedpaar er in slaagt om meer jongen groot te krijgen dan er adulte vogels sterven groeit de populatie of blijft ze minstens stabiel. En zelfs met die grote uitval bij merels en zo ook heel wat andere soorten vogels, slagen de meeste koppels er in om elk jaar wel een paar jongen groot te krijgen. Missie meer dan geslaagd. Dat geldt dus ook voor de ouders van de merel die Kristof ringde en ik controleerde. Een overlever en aanwinst voor de populatie.

Aangezien je dit leest, veronderstel ik dat je de ganse post hebt gelezen. Vind je mijn blog boeiend en de moeite om te lezen, abonneer je dan. Dat kan door gewoonweg je mailadres in te vullen rechts van deze post en op de ‘abonneren’-knop te klikken.
Hierdoor ontvang je bij elke nieuwe post een persoonlijk bericht en mis je niets meer van deze blog. Gewoon doen!
































